11/07/2016

De traan van Ronaldo

 

Motten hebben het vaak op kleding voorzien. Ze laten zich insluiten in een kast, gaan in de borstzak van een colbert zitten en doen zich te goed aan – laten we zeggen – stof.
Die ene mot in het stadion van de finale had tienduizenden mogelijkheden om op kleding te gaan zitten: op de sjaals van Franse fans, het zwarte broekje van de scheidsrechter, het kroeshaar van Pogba.
Maar nee, deze mot koos voor vocht.
Voor de zoute traan van Ronaldo.
Het was een van de beste tranen van het toernooi. Alle smaken zaten erin. De smaak van pijn aan een verdraaide knie. De smaak van altijd maar uitgefloten worden. De smaak van het vaak waardeloze voetbal van het land waar hij voor uitkomt. De smaak van ‘ben-je-nou-homo-of-hetero’?
Maar toch vooral de wrange smaak van een niet uitgespeelde finale; Ronaldo kon de wereld niet laten zien waarom hij zichzelf de beste voetballer aller tijden vindt.
Het Franse publiek floot de Portugese aanvaller uit op het moment dat hij voor het eerst de bal aanraakte. Na de charge van Payet en de aftocht van Ronaldo op een draagbaar stond iedereen op.
O, dus pas bij geleden pijn en een trieste aftocht is alle haat opeens verdwenen?
Sentimentele bullshit.
De voetballers op het veld liepen op Ronaldo af om hem nog één keer aan te raken voordat hij de catacomben werd ingedragen. In Zuid-Europa raken ze graag beelden aan van heiligen. Het helpt je het leven door, je wordt er zelf beter van.
De mot had het alleenrecht op de traan van Ronaldo. Het beestje zat first row, op de borstelige wenkbrauw. Zijn vleugeltjes bleven trillen: je wist het tenslotte maar nooit met die wereldster. Een week terug gooide hij nog een rode microfoon van een verslaggever in de sloot.
Ronaldo liet de mot zitten. Met zijn hoofd was hij bij zijn verdraaide knie, bij het moment dat hij zijn team en zijn volk in de steek ging laten. En dacht hij ook niet vooral aan zichzelf: zo’n goede voetballer als hij – met zijn sprongkracht, zijn briljante doelpunt met de hak, die liefde voor fotograferende jongetjes – zo’n briljante geest verdiende het toch de volledige speeltijd in beeld te zijn?
Waarom ik? Zo keek Ronaldo.
Met de handen voor het huilende gezicht verdween hij in de catacomben. Hij was het bijzondere verhaal van de verder zo magere finale, van een flets toernooi.
De mot en Ronaldo waren alles bij elkaar een minuutje alleen geweest. Het beestje vloog weg toen mensen zich over de aanvaller ontfermden. De mot kon alle kanten op. Naar de warme stadionlampen, naar de penaltystip, de middencirkel, naar de herdenkingsplek van de aanslag, naar de bril van president Hollande op het ereterras.
Niemand heeft meer iets vernomen van de mot met zijn met traan gevulde lijfje.
Het toernooi was afgelopen voor het laatste fluitsignaal geklonken had.