30/06/2009

MOTOR EN FIETS

uit NRC/NEXT;

Voor een wielerliefhebber is het moeilijk te verteren als mensen beweren niets van ‘dat fietsen’ te begrijpen. Ze zeggen dat ze een stel idioten urenlang achter elkaar zien fietsen terwijl de finish nog kilometers ver weg ligt. ‘Kun je niet alleen het einde kijken?’ vragen ze zich af.
Dat kan. Dan zie je, zoals gisterenmiddag tijdens het NK Wielrennen in de omgeving van Landgraaf, Koos Moerenhout winnen en Kenny van Hummel tweede worden. Klaar. Dan is sport zo helder als een glas water: iemand duwt zijn voorwiel als eerste over de streep en is de kampioen.
Maar er is zoveel meer dan een uitslag. Eigenlijk is de uitslag een noodzakelijk kwaad. Het is dat de wedstrijd een keer moet ophouden; de mensen langs het parcours willen op een moment weer gewoon over straat zonder dat een idioot op een fiets zijn fluim laat vliegen. Maar de ideale koers lijkt nooit op te houden, zodat het gepuzzel thuis voor de tv onafgebroken doorgaat.
Eerder deze week reed een man met een Harley Davidson de stoep op. Hij parkeerde vlak voor mijn terrastafeltje. De man stapte af, ging één tafel verder zitten en bestelde een cola. Hij keek opzij, herkende in mij een sportverslaggever en vroeg: ‘Steile wand?’
Ik begreep wat hij ermee bedoelde: met zo’n bolide kon je, mits je genoeg power had, 360 graden in de rondte scheuren in een houten kooi met een flinke diameter. ‘Precies. Dáár zouden jullie eens aandacht aan moeten besteden,’ zei de man, met harde stem.
Mijn antwoord kwam snel. ‘Dat is geen sport, maar een kermisattractie,’ zei ik. Hij keek me niet begrijpend aan en frunnikte aan het bandje van zijn helm die naast hem op een stoel lag. Hij nam zijn verlies en kwam er verder niet op terug. De stilte voelde aan als een overwinning.
Tijdens het NK Wielrennen dacht ik aan die motorman terug. Stel, hij zat te kijken, wat maakte hij mee? Kenny van Hummel die met zijn benen los van de trappers slingerde en zijn voeten zelfs fietsend één voor één op zijn zadel legde. Thomas Dekker had acute voedselvergiftiging en gaf zeven keer over. Hoor je ook niet elke dag. Een kopgroep sprong over vluchtheuvels en week uit naar rode fietspaden.
Verklarende teksten van de verslaggevers van het schouwspel boden weinig soelaas. De renners reden de laatste kilometers ‘met het hol open’ en ze hadden ‘een paar jassen uitgedaan’. Maarten Ducrot riep een halfuur voor het einde dat Rabo de koers had opgegeven om vervolgens Rabo-renner Moerenhout te zien winnen, op een asfaltstrook langs een paardenrenbaan.
Er moet voor de Harley-man geen touw aan vast te knopen zijn geweest: potentiële verliezers werden winnaars, Karsten Kroon was niet te achterhalen maar toch weer wel, Van Leijen was kapot, oh nee, hij werd derde en Moerenhout won maar mocht niet mee naar de Tour de France.
Als iets een kermisattractie was, dan was het wel dit krankzinnige rondje in Limburg. Inderdaad, wielrennen is niet uit te leggen en zeker niet normaler dan 360 graden rond op een Harley.
Ik zag in de sympathieke motorrijder niet direct een krantenlezer, maar mocht hij dit stukje onder ogen krijgen: ‘Beste motorman, zelfde dag van de week, zelfde tijd, ik betaal je cola en we toasten op het eerherstel van de steile wand.’