Biografie

JONGE JAREN
Wilfried de Jong (1957) is theater- en televisiemaker en schrijver. Hij groeide op in Rotterdam.
uit HP/de Tijd, door Matt Dings, foto Herman Wouters

De eerste helft van zijn jeugd woonde Wilfried de Jong in een Rotterdamse wijk met een wat pastorale naam, 110-Morgen, een verwijzing naar het aantal ochtenden dat een boer nodig zou hebben om het gebied te ploegen. Maar 110-Morgen had niets met het landleven van doen, het was een inderhaast opgetrokken jaren vijftig-wijk aan de rand van de stad met sobere flatgebouwen van drie hoog omgeven door grasveldjes, een buurt die zo’n beetje de sfeer van Alex van Warmerdams film De Noorderlingen ademde.
Het gezin De Jong huisde in een kleine flat. Wilfried deelde zijn slaapkamertje met twee broers; zijn zus had een eigen vertrekje. Als er verjaardagen waren, kwamen er heel veel ooms en tantes, die de krappe woonkamer vulden met een enorm kabaal. Dan kroop hij altijd in het nisje met de kapstok achter het almaar dikker wordende pak jassen. Niemand wist dat hij daar zat, maar hij wist precies wie er binnenkwam. Een schuilplaats vol genot.
Buiten was er ruimte in overvloed. Vlakbij lag een enorm grasveld waar de buurtjeugd naar hartelust kon voetballen, en her en der waren onbestemde, wat drassige braaklandjes met vergeten houten vlonders en stalen platen waar vrachtwagens overheen reden en waar je er lekker op kon springen zodat het water eronder uit spatte, een spel dat maar niet verveelde. De wijk had ook een huis voor ouden van dagen, waar hij soms de oudjes een beetje te pestte door steentjes tegen de ruiten te gooien.
Omdat 110-Morgen aan de rand van de stad lag, was het een hele reis als ze eens met de tram naar het centrum gingen. Pas op zulke momenten realiseerde hij zich dat hij in een grote stad woonde. Van de immense havens kreeg hij weinig mee, want meestal kwam hij niet verder dan de binnenhaven waar zijn vader een diepvriesgroothandel had.
Toen dat bedrijf beter begon te lopen, verhuisden ze naar een ruimere woning met tuin en garage in Schiebroek. Wilfried de Jong ging rond die tijd ook fanatiek voetballen bij sportvereniging De Pioniers. Naar eigen zeggen was hij als voetballer niet slecht, maar ook weer niet goed genoeg om gescout te worden door grote clubs. Een specialiteit van hem was het knietje. Werd dat goed geplaatst in het dijbeen van een ander, dan speelde die een dag niet meer. Op een dag kreeg zijn team een nieuwe spits, die goed kon voetballen, maar in de ogen van de trainer een slapjanus was die een lesje verdiende: een perfect knietje. “De spits strompelde huilend het veld af,” zegt De Jong. “De trainer gaf me een vuige knipoog.”
In de Kuip kwam hij niet vaak, maar die eerste avondwedstrijd op zijn dertiende bood een memorabel moment. “Ik liep naar dat donkere gebouw van staal en glas toe en zag ineens door een opening het fel verlichte gras. Zo groen! Ik wist niet dat een dergelijke kleur groen bestond. Dat beeld kende ik alleen van de zwart-wit tv.”

Op het Athenaeum kwam hij terecht in een vriendenclubje dat zich voor Mao interesseerde, van Zappa hield, de haren liet groeien en af en toe een subversieve actie opzette. Een paar jongens blowden stiekem en eentje had het Rode Boekje voor Scholieren. Dat was nogal wat op een katholieke school met een goede naam. Van de docenten herinnert hij zich een wereldvreemde geschiedenisleraar, een intellectueel met heel veel intellectueel haar dat hij allemaal naar één kant kamde. Hij kon slecht orde houden en als hij de chaos niet meer aankon, stond hij soms te huilen voor de klas. En de lerares van het facultatieve vak Latijn was zo bloedstollend, dat er altijd leraren even met een smoesje binnenkwamen om een blik op haar schoonheid te kunnen werpen.
Hij hield erg van muziek, nog steeds een van zijn grootste passies. Samen met een jongen van school kocht hij op zijn zestiende een contrabas, die ze elke week op en neer sjouwden tussen de twee adressen. Hij raakte gegrepen door jazz en wist daar al snel voldoende van om er op zijn school een uur les over te geven. De hoop dat hij het mooiste meisje van de klas zou laten glimmen, bleek vergeefs.
“Voor jazz,” zegt hij, “geldt hetzelfde als voor moderne kunst en moeilijke literatuur: vaak raak ik gefascineerd door dingen die ik niet begrijp en waar ik naar moet zoeken. Zoeken voorkomt dat je pad inslijt. Neem Ascension van John Coltrane, bijna free jazz: kon ik als jongen dagenlang vanaf negen uur ’s morgens draaien en er elke keer wat anders in horen. Vriendinnetjes werden er gek van als ik op zondagochtend vanuit bed met mijn grote teen Coltrane nog eens opzette. Ik werd daar juist rustig van.”

Toen hij op zijn zeventiende van het Athenaeum afzwaaide, had hij geen idee wat hij eens zou gaan studeren. Op advies van een pater van school stelde hij de keus een jaartje uit en ging naar een kibboets. Het werd zijn eerst grote reis – een spannend mengsel van zelfstandigheid, meisjes en gevaar. Hoor je dat geluid, zei iemand hem, dat is het afweergeschut. In de keuken waar hij werkte lagen de uzi’s naast de borden. Op zijn eentje stapte hij een bus in, reisde naar de woestijn en sliep bij de bedoeïnen. Het was alsof hij een schop onder zijn donder kreeg.
Toen hij terugkwam, had hij nog een zee van tijd voordat hij aan een studie kon beginnen. Naar zijn gevoel plaatste hij toen de beste zet van zijn leven: hij ging drieëneenhalve maand bij zijn ouders thuis in een donkerbruine draaistoel naast de pick-up voor het raam zitten. Elke ochtend gingen de andere gezinsleden het huis uit, vertrokken buurtgenoten naar hun werk, fietste het meisje waar hij verliefd op was naar school en nam hij plaats in die stoel en dacht na. En op den duur kwam hij tot de geruststellende gedachte, dat zijn eigen wereld in zijn hersenpan zat, dat hij zijn leven zelf kon beïnvloeden en dat het wel in orde zou komen. Inclusief twijfel en chaos, want dat hoort bij hem, daar gedijt hij bij.
De jongen voor het vensterglas is een vijftiger geworden en die kan nog steeds als hij alleen thuis is een hele middag op de bank hangen met goede muziek erbij, niksend, starend, mijmerend. “Laat het maar binnenstromen,” zegt Wilfried de Jong. “Dat geeft me kracht en troost en plezier.”

 

Stuur een berichtje naar Wilfried!