23/03/2010

NATTE KOERSBROEK

UIT NRC/NEXT:

De natuur was van slag. De kou won het van de warmte. De dag dat je zeker wist dat de zomer nog bestond, moest nog komen. De aankomst van de lente was ‘weifelend’ te noemen.
Zaterdag verheugde ik me op de wielerklassieker Milaan-Sanremo, de Primavera. In Italië lopen ze in veel zaken hopeloos achter, maar als het op het voorjaar aankomt, lijken ze altijd de primeur te hebben.
’s Ochtends moest ik eerst zelf op de fiets om met een peloton wielertoeristen een gele vlag van Den Bosch naar Rotterdam te rijden, van de voormalige startplaats van de Tour de France naar die van dit jaar.
Het werd een barre tocht van 111 kilometer. Dik ingepakt reden we Den Bosch uit. Regen en tegenwind op de dijken. Op een tractor zat een boer in zijn cabine te vloeken. Wat moesten die wielrenners hier vandaag? Het was weer om te werken.
Naast me reed de Zeeuw Cees Bal, winnaar van de Ronde van Vlaanderen van 1974. Hij gaf geen krimp in het slechte weer, maar hij moest wel drie keer stoppen voor een lekke band. Piet van Katwijk, voormalig sprintkanon uit de tijd van Bal, gleed onderuit in een bocht. Twee jongens reden in een sloot.
Wat was dit voor een voorjaar? De herfst was er niets bij.
Met moddermaskers remden we na bijna vier uur voor het Rotterdamse stadhuis, aangestaard door winkelend volk dat dacht met een mijnwerkersstaking van doen te hebben.
Thuis op de bank pulkte ik het vuil uit mijn ooghoeken. Het was kwart voor vier. Ik zette de tv aan.
Imperia vanuit de lucht. Dit was het Italiaanse kustplaatsje waar de renners sinds jaar en dag doorheen raasden. Een hoofdstraat met aan weerszijden klassieke arcades waar ongetwijfeld een bar te vinden was waar stroperige espresso druppelde in een kopje, opgevangen door een barista met een versleten heup.
Voorjaar wilde ik ruiken, desnoods door het scherm heen.
Na Imperia reden de coureurs de Capo Berta over. Ik riep de geur van bloemen op. Natuurlijk parfum. Ach, al was het de stank van uitgereden stront op de akkers, als de zon er maar bij scheen.
Ik zag de eerste renner van dichtbij. De kont van Filippo Pozzato. Aangekoekte modder op een natte koersbroek. “Primavera, wat doe je me aan!” Hadden de weergoden boven Europa het op een akkoordje gegooid? De armstukken van de renners waren tot aan de oksels opgetrokken. Ik zag de gezichten van de kanshebbers, getekend door kou en neerslag.
Het luie voorjaar lag nog te maffen in een mandje onder een dekentje.
De winnaar van vorig jaar, Mark Cavendish, fietste achter in de groep. Hij had geen schijn van kans. Er hing nog vijf kilo overtollig wintervet aan zijn lijf. Hij reed met zijn nieuwe meisje in zijn hoofd: miss Italia 2008. Fiorella Migliore. Daar gooi je geen regenjas omheen. Fiorella stond een paar dagen te vroeg buiten.
De overgebleven favorieten daalden de Poggio af. Haarspeld, na haarspeld. De Spanjaard Oscar Freire zat op een uitgekiende plek en won.
De verliezers Tom Boonen en Alessandro Petacchi hadden bij de huldiging hun lange broek aan. Ik keek naar de blote kuiten van Freire. Koud? Welnee. Het valse voorjaar had geen grip op de winnaar.