01/01/2013

VADER

Direct na het behalen van haar Nederlands kampioenschap reed schaatsster Jorien ter Mors dwars over de ijsbaan naar de tribune. Aan de rand stond een man met een grijze ringbaard en een bril op. De twee omhelsden elkaar langdurig.
Tot aan dat moment was ik van plan om te schrijven over de zeer gewone antwoorden die Ter Mors het afgelopen weekeinde had gegeven nadat ze in Heerenveen weer goed had gereden op een afstand.
Schaatsers zijn gewend geraakt om eenvoudig over hun vak te praten: “Ik ging lekker van start en reed op een vlak schema. Totdat de aanval kwam, toen moest ik even in het rood. Maar de finish was dichtbij.”
Je hoort nooit een slager live op televisie vertellen hoe het hem verging: “Ja, ik pakte een mooi stuk rookvlees. Die mevrouw vroeg twee ons dus ik heb het vlees op de snijmachine gelegd en ben mooie plakjes gaan afsnijden. Met om de twee plakjes een cellofaantje ertussen.”
De verteltrant van de gemiddelde schaatser is uitermate geschikt voor het aanwakkeren van een middagdutje.
Zo leek het ook weer te gaan met Jorien ter Mors. Tot Bert Maalderink van de NOS haar confronteerde met de emotionele ontmoeting met de man met de ringbaard. De tv-verslaggever had in haar twee dagen lang een koele kikker gezien. Wat was dit?
Ter Mors begon te huilen: “Mijn vader is heel ernstig ziek dus het is heel mooi dat ik hier voor hem kan winnen. Ik ben heel blij dat hij hier bij kon zijn en dit nog kon meemaken.”
Het belang en de relativering van sport was in een enkel moment vervat. De menselijke maat van een groot sportmoment van een schaatsmeisje van 23 jaar werd getoond.
Ik begreep beter waarom een huldiging soms beter bekeken wordt dan een wedstrijd zelf. Sportpubliek wil in het hart geraakt worden. Niet alleen door de uitslag maar vooral door een geloofwaardig verhaal van de sporter. Het liefst in zijn simpelste vorm.
Daarom was de volkswoede over het voor Nederlands voetbalteam zo mislukte EK zo groot. Als er al een verhaal was, ging het over ijdelheid, zelfoverschatting en jaloezie. Daarom stond Lance Armstrong bij het grof vuil. Megalomanie in het kwadraat. Het publiek ziet liever een spijtoptant dan een huichelachtige Tourwinnaar.
Bij Epke Zonderland twijfelt niemand aan zijn bedoelingen. De sportman van 2012 heeft geen dubbele agenda en treedt nooit van arrogantie buiten zijn oevers.
Tijdens het NK in Thialf werd er geklaagd over de focus van veel schaatsers. Ze zouden meer met de winterspelen van Sotsji in hun hoofd zitten dan met de komende internationale wedstrijden. De Olympische Spelen zijn hot.
Het is waar. De Spelen lijken – zeker na de geslaagde versie in Londen – meer dan ooit het belangrijkste podium voor sporters geworden. Het niveau is hoog, de wereld kijkt toe. De grens wordt steeds verlegd.
Citius altius fortius.
Het laatste, beklijvende beeld in een grotesk sportjaar was mooi van eenvoud. Een dochter wint een schaatswedstrijd en duikt direct weg in de kraag van de regenjas van haar zieke vader. Hij sloeg haar lief op de rug in de wetenschap dat het de laatste keer kon zijn.