23/05/2014

DE SCHEIDS VAN MENNO FERNANDES/ BOEKPRESENTATIE 22 mei

Ik ben geen man van de fluit.
Een fluit. Dat striemende geluid, over een voetbalveld, op een verkeersplein, op het perron. Een duidelijker markering van de tijd bestaat niet. Met een schok komt alles tot stilstand.
De fluit schept orde. Er moet iets stoppen, of juist weer door. Eigenlijk is de fluit een arrogant ding dat helemaal alleen bepaald wat er dient te gebeuren.
We zijn zo versmolten met de theorie van Pavlov dat we inmiddels allemaal reageren op een fluit. Wat niet wil zeggen dat we allemaal hetzelfde doen, hetzelfde denken.
De fluit is een serieuze cesuur in het leven, dat is onweerlegbaar.
Menno Fernandes heeft ook een fluit. Hij is scheids op een voetbalveld. Met een hoofd vol regeltjes holt hij op noppen over het gras. Met twee ogen die het werk doen van vier. Fluiten voor tweeëntwintig spelers – als ze allemaal nog in het veld staan – die nooit echt vrienden voor het leven zullen worden. Want de scheids, daar ben je altijd een beetje tegen.
En toch is Menno Fernandes een geval apart. Het is een scheids met compassie. Hij weet wat er in de voetballer en de supporter omgaat. Hij snapt het als je hem een teringlijer vindt, een kankermongool, een tyfushomo of een moederneuker. Hij zal je scheldpartij geduldig aanhoren maar daarna, met een resoluut gebaar de rode kaart tonen.
Menno Fernandes is de aardigste scheids van de wereld maar hij laat niet met zich sollen.
In een ander leven – want Fernandes heeft er vele – was hij chauffeur. Hij loopt er niet mee te koop maar hij reed Jan Wolkers door het land. Als de schrijver vanaf het eiland Texel voor een optreden naar het vasteland moest, mocht alleen Menno Fernandes achter het stuur van de auto zitten.
Toen Wolkers overleed, wilde een tv-programma het onafscheidelijke lichtblauwe trainingsjack van de schrijver als ere-relikiwie in een uitzending tonen. Menno Fernandes deed zijn werk, hij reed naar Texel, waar het sportjack door de familie van het levenloze lijf van Wolkers werd gesjord. Het kledingstuk was in goede handen, wisten ze.
Zelfs met een dode Wolkers kon Menno Fernandes lezen en schrijven.
Wolkers had ooit aan de oogopslag van Fernandes gezien dat deze jongeman diep in zijn hart geen taxichauffeur was. Zoals voetballers zien dat Fernandes eigenlijk geen standaard scheids is. Ik durf een stap verder te gaan. Ik durf te beweren dat Menno Fernandes eigenlijk Menno Fernandes niet is.
Wie goed luistert, hoort uit de fluit van Fernandes melodieën komen, afgemeten kwartnoten uit de ziel. Associatieve noten die speelbal zijn van een dwarrelwind. Nooit is helemaal duidelijk waarheen ze vliegen, waar ze de grond zullen raken.
De fluit van Fernandes lokt ons, de klank is verleidelijk, als het zachte neuriën van de Sirenen, we moeten er naar luisteren, of we willen of niet.
Het leven is een spel, dat weet Fernandes. Met regels om je aan te houden, of om je bewust aan te onttrekken.
Het blazen op een fluit zet dat spel even stil. Er is overleg, ruzie, onbegrip, er wordt gescholden, soms gelachen. Maar iedereen weet, zolang Fernandes de adem heeft voor een volgend fluitsignaal, gaat het spel weer door. Hij zet ons weer in gang.
Fernandes weet wat hij doet, hij signaleert en observeert.
Zo’n man noem je geen scheids, zo’n man noem je een schrijver.